Introductie
blz 11-14De dag na mijn vijftigste verjaardag droomde ik dat ik gewurgd werd. Ik wou de wurgende handen losmaken van mijn nek maar dat ging niet, het waren de handen van mijzelf. Toen heb ik gedacht: ik leef verkeerd. Als ik zo doorga, verknal iik gegarandeerd mijn hele toekomst.
Nog geen uur later ben ik mijn geluk gaan zoeken in het Vondelpark. En blijkbaar was ik erg gemotiveerd want ik had het in no time gevonden.
Ach, als geluk toch eens iets blijvends was. Maar wacht, laat ik me eerst even voorstellen.
Gegroet lezer. Ik draag geen pacemaker, ik voel overal nattigheid, ik draag altijd pyjama’s in bed, mijn zwarte haar wordt nog nauwelijks grijs, ik zwem in oud geld en ontbeer dus diplomatie en handelsgeest, ik voel me van geen enkel dier de meerdere, ik ben van mening dat Jorma Ollila een van de grootste denkers is van deze tijd, ik heb een vrouw bemind die wegliep met Bin Laden, mijn heftigste angst is bij mijn dood door niemand omringd te zijn, mijn beroep is schrijver en ik heet MauriceMaillot. Aangenaam.
Mijn ouders behoorden tot de eerste prisoners of compassion. Ik hield zielsveel van ze maar heb ze helaas niet anders gekend dan in het gevang. Ze hadden levenslang omdat ze in de zomer van 1953 het Duitse circus Kalthoff hadden opgeblazen. Het ging om een nijlpaard. Zijn naam was Benkali. De circusdirectie wou van hem af omdat hij vanwege zijn vergevorderde leeftijd geen kunstjes meer kon vertonen, en had zijn bassin opgewarmd tot meer dan honderd graden. Zo werd Benkali levend gekookt en kon Kalthoff een forse poet van de verzekering incasseren.
Bij deze aanslag kwamen eenenzestigmensen om. Spijt hebben mijn ouders nooit betuigd. Al hun medeleven is naar het nijlpaard uitgegaan.
Ik was nog maar net geboren. Mijn familie wou toen niets meer van me weten en transporteerde me met wieg en al naar Ruud en Agaath van Zanten-Kolf, een kinderloos patriciërsechtpaar in de Amsterdamse Lomanstraat.
Voor het leven getekend maar wel met een bankrekening.
Zodra ik groot genoeg was, mocht ikmee naar de gevangenis. Dan zei ik: ‘Dag Pappa, dag Mamma, hier ben ik. ’Maar zijzelf waren er niet, dat wil zeggen, er was haast niets meer van ze over. Achter het glas troonden twee geslachtloze schimmen met de armen omelkaar heen, een zwijgzaamrotsblok vanmedeplichtigheid. Het enige wat er nog uitkwam was: ocharmen.
Toch is het dit rotsblok geweest dat mij nog kracht en levensmoed heeft geschonken. Omdat ik merkte dat het ommij gaf, dat hetmetmemeeleefde, dat het zich hoe dan ook ommij bekommerde. Een rotsblok blijft niettemin een rotsblok. Het is hard.
Doordat die aanslag in Duinkerken heeft plaatsgevonden, waar circusKalthoff toentertijd zijn tenten had opgeslagen, is deze zaak inNederland nooit erg bekend geworden. In Frankrijk, België en Duitsland daarentegen zijn mijn ouders even beroemd als Landru, het echtpaar Rosenberg, boer Dominici of Bonnie en Clyde. Hunaffaire is de geschiedenis ingegaan als de affaire-Maillot de bain (daar onze familienaam nu eenmaal Maillot luidt en het nijlpaard evenals Marat vermoord werd in zijn bad).
Een badpak is slechts een badpak, dat weet ik ook wel. Het neemt niet weg dat dit badpak aanzienlijk op mij heeft afgekleurd.
Toen mijn ouders zich ten slotte van kant maakten in hun cel, was ik amper tien. Ze hadden een korte afscheidsbrief voor me achtergelaten, die me werd overhandigd door hun notaris.
Liefste Maukie staat er in de aanhef, en aan het eind: Hou je taai, we leven met je mee. Een liefdesbrief. De mooiste die ik in mijn leven heb gehad. Eén passage eruit wil ik u niet onthouden opdat u er uw voordeel mee kunt doen: Er sluipen drie griezels in schaapskleren op de wereld rond: kennis, consensus en diepgang. Je zult ze pas herkennen als je groot bent. Zorg ervoor dat ze je niet verslinden en behoud je illusies!
De rest van de inhoud zal ik nimmer prijsgeven. Die is alleen voor mij bestemd en gaat mee in mijn graf.
Mijn ouders zijn begraven op Zorgvlied in hun en mijn geboorteplaats Amsterdam. Het Front des anges bestiaux de Dunkerque is zo goed geweest ze van tevoren satijnen pyjama’s aan te doen zodat ze stijlvol aan de aarde konden worden toevertrouwd. Datzelfde front heeft een bronzen nijlpaard op hun graf geplaatst. Door de tijd is het verjongd want het heeft een schitterend patina gekregen. Op een plaquette staat in vier talen een citaat van Victor Hugo gebeiteld: C’est une triste chose de songer que la Nature parle, et que le genre humain n’écoute pas (hoe juist, en dat terwijl de mens toch deel van die natuur uitmaakt!). Eronder in gouden letters: Ter nagedachtenis van het nijlpaard Benkali en onze helden Ben Maillot en Mariska Lamm, die op 8 augustus 1963 het leven lieten als prisoners of compassion. De waarheid.
Ik heb het beeld mogen onthullen, wat ik vol trots heb gedaan. Ik ben altijd fier op mijn ouders geweest, fier op hun eigenzinnigheid, fier op hun doorzettingsvermogen, fier op hun heroïek, fier op hun knappe gezichten, en vooral fier op hun liefde voor mij. In mijn pleeggezin is me echter constant voorgehouden dat zij een verkeerde keus hadden gemaakt, waardoor ik geen toekomst meer had. Weliswaar was ik enorm bedreven in het kunstschaatsen maar volgens mijn stiefouders zat zelfs een bijrol bij Holiday on Ice er voor mij niet in. Alsof ik niet het kind maar de medeplichtige van mijn ouders was.
Ik heb mijn toekomst dan ook moeten bevechten. De neerslag daarvan vormt dit boek. Ik draag het op aan alle prisoners of compassion. en heb het geschreven ter ere van Pappa, Mamma, mijn vrouw Do, Freddy, mijn kat Grappa en mijn hondje Slava. Opdat ze ook voor anderen gestalte krijgen.
Er zijn feiten en er zijn ervaringsfeiten. Dit boek bestaat uit ervaringsfeiten. Het is een roman. Er wordt vaak geklaagd over de ongeloofwaardigheid van romans en daar kan ik inkomen, maar nu ik met deze roman mijn leven op de voet gevolgd heb, kan ik met de hand op mijn hart verzekeren dat niets zo ongeloofwaardig is als het leven.
En dan nu: heen en weer! Het woord is aan mijn verhaal. Luister naar het klappen van de zweep en trek een winterjas aan. En sta me toe me eindelijk, eindelijk, eens helemaal uit te spreken.
M.