Uit de kast met een bloemenhoed

<i>Uit de kast met een bloemenhoed</i>

Charlotte Mutsaers opende op 11 maart de tentoonstelling James Ensor - Universum van een fantast. Lees hier de openingsspeech Uit de kast met een bloemenhoed.

Openingsspeech

Dit wordt een verhaal over Flower Power, kleur, kracht en rebellie tegen gratuite bruinbakkers. Ik zit aan tafel en bekijk afbeeldingen van James Ensor. Wie was deze man met dat vriendelijke gezicht dat bij het ouder worden zulke Kerstmanachtige trekken kreeg. Die Oostende, waar hij in 1860 werd geboren, zo teder typeerde als ‘lief blommetje van kleur’. Die op straat vaak ‘de zwarte madam’ werd genoemd vanwege zijn donkere, zwierige kledij. Die voornamelijk door vrouwen werd opgevoed maar door zijn intellectuele en excentrieke Engelse vader werd gevormd, en wel tot marginaal in de beste zin van het woord. Die getuige diverse foto’s, minstens tot zijn zesde jaar in snoezige jurkjes heeft rondgelopen. Die nooit getrouwd is geweest maar zijn levenslange vriendin wel een van zijn mooiste werken, het Zelfportret met Bloemenhoed, heeft geschonken. Die geen enkele behoefte aan hoeren en snoeren had, zelden reisde en jaren achtereen met zijn knecht heeft samengewoond in een en dezelfde straat. Die, toen de jonge schilder Roger Raveel hem in 1945 onverwacht met een bezoek vereerde, bekende dat hij veel liever manlijke jongelieden ontving dan wulpse vrouwen die met gespreide benen voor hem zaten. Die het zwakke geslacht aldus heeft getypeerd: ‘Misleidend geslacht, zonder geloof of wetten, draaikolk van hypocrisie, beschermengel van ondeugd, klauwdier met zuignappen, met verscheurende hoektanden, zwaan met wildzang, weerhaan die met kwade winden meedraait, steeds gemaskerd en met een eindeloze glimlach…’ Wie was dit boegbeeld van de stad Oostende, die het laatste (terecht roze getinte) bankbiljet van honderd frank heeft gesierd? Vraag het niet aan Wikipedia waarop Ensor wordt omschreven als 'uitermate egocentrisch en hooghartig'. Vraag het evenmin zijn biograaf, die hem heeft neergezet als 'huismus, aansteller en ijdeltuit'. En vraag het helemaal niet aan de bruinbakkers onder de kunstenaars. Nee, áls het gevraagd moet worden, vraag het dan zijn bloemenhoed.

Ensor kwam in mijn leven toen ik acht jaar oud was, om precies te zijn op de schoot van mijn eigen vader. Die dag vroeg mijn moeder of ik even een bloemkool, een citroen en een bosje peterselie wou halen. Ook toen al dol op shoppen deed ik dat graag. Bij de groenteboer werd ik echter zo in beslag genomen door het zoeken naar de witste aller bloemkolen en de geelste aller citroenen dat ik niet meer aan het bosje peterselie dacht. Toen ik thuiskwam werd ik dadelijk weer teruggestuurd. Ik weigerde en zei dat ik niet twee maal achtereen dezelfde winkel in durfde te gaan. ‘Jezus’, zei mijn vader, ’dat lijkt wel schaamte.’ ‘Nee’, zei mijn moeder, ‘dat is valse schaamte.’ ‘Alsof niet alle schaamte vals is’, zei mijn vader resoluut, waarop hij naar de gang sprintte en een hoedje van mijn moeder van de kapstok trok. Het was een hoedje uit Parijs met een rode veer en een tuil bloempjes bovenop. Met een provocerend gebaar plantte hij het op zijn eigen hoofd. ‘Let op’, zei hij,’ik ga nu naar buiten om peterselie te halen. Dan kunnen jullie mij bewonderen vanaf het balkon.’ De hoon op straat was niet van de lucht. Ik ging door de grond. Hij niet, hij had wel voor hetere vuren gestaan. Met opgeheven hoofd zette hij zijn wandeling voort om even later weer terug te keren, zwaaiend met een bosje peterselie. ‘Dat bedoel ik nou’, zei hij toen hij weer boven kwam. Mijn moeder heeft het bewuste hoedje nooit meer gedragen.

Treffend genoeg heeft Ensor als kind iets soortgelijks meegemaakt. Hij liep met zijn vader over het staketsel in Oostende toen deze plots zijn schoenen uittrok, in zee sprong en gekleed en wel de vaargeul overzwom. Aan de overkant rustte hij even uit om vervolgens het hele stuk doodleuk weer terug te zwemmen. Hij negeerde het toegestroomde publiek, schoot weer in zijn schoenen, en wandelde nog nadruipend met zijn zoontje verder. Manhaftige, onaangepaste vaders: een weelde voor ontluikende kunstenaars.

Terug naar mijn eigen vader. Op de avond na het hoedjesincident liet hij me examen doen. Hij was kunsthistoricus en had een fameuze plaatjesverzameling opgebouwd: duizenden reproducties van schilderijen die hij op ivoorkarton had geplakt en beschreven. Het examen bestond hieruit dat hij me op schoot nam en een aantal van deze kunstwerken toonde waarna ik dan moest raden van wiens hand ze waren. Die avond toonde hij me als eerste een magistraal portret van een man met een lichtblauwe bloemenhoed. Hoewel ik het niet kon thuisbrengen sloeg het in als een bom. De kleuren lichtten geheimzinnig op uit het clair-obscur van de achtergrond. Uit de hoed hingen wat lilaroze pluimen en de bol was voorzien van een bloementooi. Van onder de rand keken mij twee felle ogen scherpzinnig en vervaarlijk aan. Tegelijkertijd was de blik ook een tikje koket. Het waren de contrasten en het fenomenale kleurgebruik die dit schilderij zo intrigerend maakten. Mijn vader vertelde dat het hier om een zelfportret ging dat in 1883 geschilderd was door de Vlaming James Ensor, met dien verstande dat deze de bloemenhoed en de krulsnor er pas vijf jaar later aan had toegevoegd. In de tussentijd had hij namelijk zoveel tegenwerking en miskenning in zijn leven ondervonden dat hij de wereld daarmee wou laten zien wie hij werkelijk was. Maar wie wás deze Ensor dan werkelijk, wou ik weten. Toen legde mijn vader zijn hand over de sik en de snor en vroeg of ik nu nog steeds kon zien dat de geportretteerde een man was. ‘Allicht’, zei ik, ‘vanwege de zware wenkbrauwen’. Daarop legde hij zijn andere hand op de wenkbrauwen. ‘En nu?’, zei hij. Het bleef een man, vond ik, vanwege de sterke blik. ‘Juist’, zei hij, ‘zo kijkt het zwakke geslacht gewoonlijk niet.’ Tenslotte nam hij zijn handen weg om er de hele bloemenhoed mee af te dekken. Dit had een ongelooflijk effect. Ensors ogen schoten prompt vol angst en achterdocht en het schilderij stelde coloristisch niets meer voor. Mijn vader merkte mijn verbazing op en zei voor de tweede maal die dag: ‘Dat bedoel ik nou.’

Die bloemen op Ensors hoed, niemand spreekt erover. Constant wordt deze hoed 'koddig, raar of carnavalesk' genoemd en op de bloemen gaan ze niet in. Wat me daarbij het meest tegen de borst stuit is dat een man die zich tooit met een bloemenhoed kennelijk beschouwd wordt als een clown. Toch zijn die bloemen niet zomaar uit de lucht gevallen. Die komen ergens vandaan. Maar waar vandaan. Ik vermoed uit dezelfde tuin als Les fleurs du mal van de door Ensor zo diep bewonderde Baudelaire. Nee, ik vermoed het niet, ik weet het wel zeker. Laat ik het anders stellen: Ensor is met zijn bloemenhoed gewoon uit de kast gekomen. Niet koddig, raar of carnavalesk maar intelligent, kleurrijk en koket. En gezien het feit dat zijn talent daarna pas tot volle wasdom is gekomen, heeft deze fleurige geste prima uitgewerkt.

De gigantische kracht van dit zelfportret blijkt ook uit het feit dat het door de tijd zo’n opgang heeft gemaakt. In dit verband is het vreemd dat het meestal als een allusie op een zelfportret van Rubens wordt afgedaan. Ensor zou zijn beroemde Vlaamse voorganger ermee naar de kroon hebben willen steken. Best mogelijk maar Ensor was zodanig overtuigd van zijn eigen talent dat ik nauwelijks kan geloven dat hij zich tegen een meester van eeuwen geleden heeft willen afzetten. Of het moest zijn dat hij de draak heeft willen steken met Rubens als womanizer. Als ik het betreffende portret van Rubens echter goed bekijk, zie ik nauwelijks overeenkomsten. Inderdaad, ook Rubens draagt een flaphoed. En inderdaad, er is ook sprake van clair-obscur. Maar wat dan nog. Talloze mannen in onverlichte tijden droegen nu eenmaal snorren, sikken en hoeden. Maar bij mijn weten was zo’n mannenhoed nooit met bloemen versierd, ook niet de anatomische hoed van professor Tulp. Dat blijft het gekke dat er constant aan die bloemen voorbij wordt gegaan. Alsof het flauwekul is! Alsof ze niet bestaan! Alsof niet juist die bloemen Ensors hele schilderij dragen en schragen! Toen Ensor zijn bewerkte zelfportret in 1890 exposeerde, noemde hij zelf het zijn ‘vermomde portret’. De bloemenhoed als mombakkes. Kijk, dat zegt heel wat meer. Verhulling en onthulling in één. Het aangrijpendste masker dat Ensor ooit heeft gemaakt. Het verklaart misschien de populariteit van dit werk. In Oostende, waar ze gek op maskers zijn, duikt de afbeelding tenminste constant op: als tegel, als broche, als embleem op een bierglas, als versiering op eens doos pralines, en zelfs, zoals ik al in Zeepijn heb beschreven, als dessert op een kerstmenu: De Bloemenhoed van James Ensor in ijs met passievruchten. Groot was dan ook de ontzetting toen dit schilderij in de nacht van 31 maart op 1 april 1978 ineens gestolen werd uit het Stedelijk Museum. Toen de onheilstijding ’s morgens de ronde deed, dacht iedereen dat het een 1 aprilvis was. Maar niks aprilvis. Ensors Bloemenhoed was wel degelijk ontvreemd, samen met nog twee andere van zijn werken waar haast niemand over sprak. Het is een echt Ensoriaans, bijna surrealistisch drama geworden vol spijkerbommen, molotovcocktails en vliegtuigen met zoeklichten. Men kan het bekijken op You tube. De opsporing heeft twee jaar geduurd en de zaak is inmiddels geseponeerd. Maar nog steeds weet niemand er het fijne van. Gedegen in plastic verpakt werd het Zelfportret met Bloemenhoed twee jaar later door een jongetje teruggevonden in het duinzand bij Mariakerke. Vele Oostendenaren stonden bij het blije nieuws te wenen.

Dertig jaar later, dat wil zeggen vorig jaar, toen er ter ere van Ensors honderd vijftigste verjaardag een expo in het Oostendse MU.Zee werd gehouden weenden ze weer. Maar nu niet meer van vreugd. Want was er gebeurd? Terwijl iedereen er vanuit ging dat het Zelfportret met Bloemenhoed op deze tentoonstelling een ereplaats had gekregen, was het nergens te vinden. Overal kwam je zoekende mensen tegen. Ook mijn man en ik zochten zich wezenloos. Wat wel aanwezig was, was een bruin schilderij van precies dezelfde afmetingen, (61,5x76,5 cm). Het hing in een vrijwel lege ruimte naast de Ensor-zaal. Vanuit de misvatting dat Het zelfportret met Bloemenhoed nodig aan actualisering toe was, bleek men er een eigentijdse kunstenaar op te hebben losgelaten. Deze kunstenaar, we houden de naam maar liever geheim, had alle kleuren van Ensors zelfportret ‘ambachtelijk’ gescand en vervolgens door elkaar geklutst om er een moderne pendant van het origineel mee te verven. Een monochroom, donkerbruin werkje was het resultaat. Allicht, zo gaat dat als je kleuren door elkaar husselt. Als ik een slaatje eet van witte bloemkool, groene peterselie en gele citroen, is het resultaat ook donkerbruin. Zelden werd Ensors scatologie zo simpel en platvloers benaderd. Kortom, een vijandige daad. In verband met de grootheid van het oorspronkelijke coloriet zelfs een misdaad. Ondertussen bleef het originele schilderij onvindbaar. Navraag leerde tenslotte dat het tijdelijk in het Ensorhuis in de Vlaanderenstraat was opgehangen opdat er een dialoog met het museum zou ontstaan. Nieuwsgierig naar de dialoog liepen we naar het voorheen zo intieme Ensorhuis. En ja hoor, daar hing het Zelfportret met Bloemenhoed, eenzaam en schaars belicht in Ensors ontruimde eetkamer. Alle aandacht werd gericht op een diaprojector die met een hinderlijk geluid monochrome dia’s op de muur toverde. Opnieuw was de bruinbakker aan het werk geweest om de kleuren uit Ensors zelfportret te distilleren. Ditmaal had hij ze echter niet gemengd maar een voor een nageschilderd op paneeltjes waarvan hij later dia’s had gemaakt. Het waren er precies tachtig geworden. Heel toevallig precies het aantal dat de diacarrousel bevatten kon. We zagen de uit hun context gerukte en derhalve onttoverde kleuren langs komen op Ensors eetkamermuur. Dit was geen dialoog, dit was huisvredebreuk. Maar laat ik er over zwijgen en besluiten met een hartekreet van de bijna negentigjarige Roger Raveel, Ensor-bewonderaar vanaf het eerste uur. In een interview heeft deze ooit gezegd dat men zich nederig dient op te stellen tegenover een meesterwerk. Dat men moet denken: Oei, oei, oei, is dit geen zeer grote kunst waarvoor ik sta? En zo is het. ‘Oei,oei, oei, dit is zeer grote kunst waarvoor wij staan. Hoed af voor James Ensor!